Tante Betjes taalhoekje

 

Voorwoord vooraf

  • Betje: "Je moet kiezen, Tessa: òf Voorwoord, òf Woord vooraf."
  • Tessa: "Hoezo?"
  • Betje: "Anders heb je een pleonasme."
  • Tessa: "Ha, ik wist niet dat ik pleonasmen kon maken."

Deze rubriek gaat over taal. Taal is zo’n beetje het belangrijkste instrument dat de mens tot zijn beschikking heeft. Zonder taal kan een mens niet denken, geen contact maken met medemensen, zijn zin niet krijgen en zijn hart niet luchten. Dankzij de taal is de mens machtiger geworden dan het dier en heeft hij de aarde naar zijn hand kunnen zetten. Of dat laatste een voordeel is, valt overigens nog te bezien.
We gaan het hebben over taal, vreemde talen als het Blackfoot Indiaans, het Koeterwaals of het Engels en gewone talen als het Nederlands. We, dat zijn mijn nichtje Tessa en ik. Tessa zit op de middelbare school, in havo 2, en geniet daar taalonderwijs, tenminste ze volgt het. Genieten doet ze er nog niet zo van. Spelling en grammatica vindt ze onzin, want volgens haar kun je het ook best ver schoppen zónder die leerstof. Deze stelling onderbouwt ze met voorbeelden van bekende BN’ers die het Nederlands niet beheersen en toch of juist daardoor heel rijk en beroemd zijn geworden. Het is inderdaad opmerkelijk hoeveel bekende Nederlanders onbekend zijn met de grammatica en de juiste uitspraak van het Nederlands. Neem nou zo’n weerman- of weervrouw: “Noorden, daar krijgen we te maken met buien wat alles te maken heeft met een lagedrukgebied, die de computer goed laat zien.” Tessa is daarom niet zo gemotiveerd om haar moedertaal moeite- en vlekkeloos te leren hanteren. Gelukkig is ze niet te beroerd om mij af en toe te hulp te vragen bij haar huiswerk en ben ik af en toe in staat om haar nieuwsgierigheid te prikkelen. Als tegenprestatie leert Tessa mij te texten en whatsappen en zo. Ze heeft daarmee al veel suck6.


Over taal dus: wat het is, hoe we eraan gekomen, hoe het werkt en vooral wat er leuk aan is. Volgens Tessa is er niks leuks aan. Bij mijn nader inzien misschien ook niet. Ik vind ‘leuk’ een beetje een vies woord, dat veel te veel gebruikt is en daardoor nergens meer naar smaakt. ‘Leuk’ is niet lekker en ‘lekker’ niet leuk meer, want het kan echt van alles betekenen. Laten we ons maar bezig gaan houden met de vraag waarin taal aangenaam kan zijn. Tessa had hier liever ‘cool’ gebruikt, maar dat werd mij te gortig. (Kijk, dat vind ik nou een smakelijk woord: ‘gortig’)


Dit rubriekje maakt met opzet een ietwat chaotische indruk. Tessa en ik zijn allebei landelijk erkende warhoofden en begrijpen elkaar feilloos. Bovendien moet je volgens ons over je moedertaal voor het vaderland weg kunnen teuten. Beschouw dit rubriekje maar als een buiten- en binnenlands taalhoekje voor allo- en autochtonen, dat tot doel heeft lering te verschaffen en vermaak te leveren. En mochten we te pietluttig of te melig worden en indt u het niet leuk meer, dan moet u maar iets anders gaan doen.

 

I De oorsprong van taal

 

Waar de taal vandaan komt weten we niet. Ik heb eens een sciencefictionboek gelezen waarin werd geopperd, dat taal een vergissing is van de evolutie. Wij mensen zouden voorbestemd zijn om telepathisch te communiceren. Het bewijs? Alle organen waarmee wij spraak leveren, zijn eigenlijk instrumenten om voedsel in te nemen en te verwerken. Ach, wie weet. Maar welke ontwikkeling ertoe heeft bijgedragen dat de mens is gaan spreken, valt buiten onze waarneming. Dat zal er ook de oorzaak van zijn, dat er zo veel theorieën bestaan over de oorsprong van de taal. De aanhangers van die theorieën hebben niet nagelaten, andersdenkenden en hun hersenspinsels belachelijk te maken, hetgeen een fraaie lijst spotnamen voor de diverse theorieën heeft opgeleverd. We zetten ze even op een rijtje.

 

  1. De “bow-wow”-theorie (zeg maar de “waf-waf”theorie). Deze houdt in, dat taal is ontstaan uit de imitatie van natuurlijke geluiden, uit klanknabootsingen dus, of onomatopeeën. Het werkwoord “blaffen” klinkt een beetje zoals de inhoud ervan, het “murmelen”van een beekje heeft het werkwoord zijn naam gegeven. Tegen deze hypothese valt in te brengen dat de klanknabootsingen per taal nogal kunnen verschillen. Je hebt Nederlandse hanen: “kukeleku”, Engelstalige hanen: “cock-a-doodle-doo”, Franse: “cocerico” en Italiaanse hanen: “chicchirichi”.

 

  1. De “ding-dong”-theorie (“tingeling”-theorie?) veronderstelt een mystieke correlatie tussen klank en betekenis. Deze theorie wordt aangehangen door mensen die vinden dat het horen van woorden een bel kan doen rinkelen in hun binnenste. Sommige woorden kunnen niets anders betekenen dat wat ze nu betekenen. Er bestaat een harmonisch verband tussen woorden en hun betekenissen, die ervoor zorgt dat “love” alleen maar liefde kan betekenen in het Engels en een Nederlandse stoel alleen maar “stoel” kan heten en niet Harry.

 

  1. De “pooh-pooh”-theorie (de “nou-nou”-theorie) Taal is voortgekomen aan de uitroepen die gevoelens als boosheid, verbazing, plezier, pijn of angst uitdrukten. Talrijk zijn kennelijk de tegenstanders van dit idee, want “pooh-pooh”wil in het Engels zo veel zeggen als: “nou, nou, wat een onzin!”

 

  1. De “yo-he-yo”-theorie (de “1-2-hup-theorie) verschilt niet zo veel van de “pooh-pooh”. In plaats van uitingen van emoties staan hier ritmische geluiden die mensen maken bij gezamenlijke fysieke inspanningen. Strijdkreten, bijgeluiden bij krachtige ademuitstoten (bijvoorbeeld bij karate en tennis) en oude uitvindingen als het “Tsjakka” van ene Ratelband missen misschien het element gezamenlijkheid, maar zijn hiermee vergelijkbaar.

 

  1. De “ta-ta”-theorie (“njam-njam”-theorie) was de favoriet van Darwin: spraak was aanvankelijk niets anders dan een soort pantomime, waarbij de mond meedeed met andere lichaamsdelen om iets tot uitdrukking te brengen. Een mogelijk bewijs: beweeg de mond om eten uit te drukken. Laat daarbij een a-klank horen en met dit “njam-njam” kun je volgens deskundigen bijna overal op de wereld laten weten dat je honger hebt, of wil eten. Wil je ook nog iets drinken, dan kun je dat ook gemakkelijk met de mond kenbaar maken (slurp!).

 

  1. De “keuveltheorie” verklaart de geboorte van de spraak uit de algemeen menselijke behoefte aan contact met medemensen. Aanvankelijk zou men alleen maar wat kreten uitwisselen of “spinnen” van plezier in gezelschap, later kregen de geluiden een betekenis: gevaar, bronst, hulpgeroep etc.

 

  1. De “la-la”-theorie beweert dat de taal voortkomt uit geluiden die met zang, spel en muziek te maken hebben. Dit klinkt romantisch, maar de Deense taalgeleerde Otto Jespersen heeft deze theorie ontwikkeld na een uiterst grondige studie van de oudst bekende taalstadia en kwam met plausibele argumenten. Die laten we hier niet volgen, maar luister eens naar heel kleine kinderen. Die zijn ook vaak zangerig bezig om taal te verwerven.

 

Natuurlijk komt taal uit de hersens en de mond, maar voordat het zo ver was, moest er heel wat gebeuren. Wil je weten hoe ons lichaam is bewerktuigd om taal te kunnen hanteren, moet je maar even googelen.

 

II Taal als schoolvak (gedsie!)

Opdat we dit straks alvast gehad zullen hebben, beginnen we (onder protest van Tessa) met het alleroervervelendste onderdeel van taalonderwijs: de grammatica, oftewel het benoemen van soorten woorden en functies van woorden. Als je van woorden weet bij welke soort ze horen en wat voor functie ze alleen of met andere woorden kunnen bekleden, kun je straks zelfstandig op verkenning uitgaan in de binnenlanden van het Nederlands.

Het benoemen van woordsoorten en functies van woorden, wordt ook wel ‘ontleden’ genoemd.
Ontleden betekent: uit elkaar halen. Ook taal kun je uit elkaar halen. Zo kun je deze zin in tien stukjes uiteen laten vallen: kun, zin, Zo, stukjes, vallen, je, laten, deze, tien, in. Als je dat met alle zinnen doet, krijg je vrachtwagenladingen losse woorden, een onoverzichtelijke massa woordmateriaal. Hoe krijg je die in vredesnaam weer geordend? Daarvoor zijn er twee manieren: 1. sorteren en 2. er weer nieuwe zinnen van maken.


Om te kunnen sorteren moet je soorten kunnen bedenken. Dat is al voor je gedaan. Het Nederlands kent een aantal woordsoorten, waarvan de belangrijkste zijn:
1. zelfstandige naamwoorden
2. bijvoeglijke naamwoorden
3. lidwoorden
4. werkwoorden
5. bijwoorden
6. telwoorden
7. voorzetsels
8. voegwoorden
9. aanwijzende voornaamwoorden
10. betrekkelijke voornaamwoorden
11. vragende voornaamwoorden
12. wederkerende voornaamwoorden
13. wederkerige voornaamwoorden
14. tussenwerpsels, maar die laten we even met rust.

1. Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die zonder hulp van andere woorden een beeld of een gedachte kunnen        overbrengen (een naam kunnen geven). Als ik tegen u zeg: ‘palmboom’, dan ziet u in gedachten een tropische boom zonder takken en met grote bladeren in zijn kruin. Als ik tegen mijn buurman zeg: ‘uilskuiken’, heeft dat woord maar één bepaald effect op hem en moet ik maken dat ik wegkom.

  1. Minder zelfstandig is het bijvoeglijk naamwoord. Normaal staat het vóór een zelfstandig naamwoord, maar soms ook erachter. Zie bijvoorbeeld het opschrift ‘licht defect’. (Beide woorden kunnen zowel zelfstandig als bijvoeglijk naamwoord zijn.
  2. Lidwoorden zijn de herauten van zelfstandige naamwoorden: ‘Tatatata! Hier volgt een zelfstandig naamwoord!’ Let wel ‘een’! Wat voor een zelfstandig naamwoord, weet voorlopig alleen de schrijver. Had er gestaan ‘Tatatata! Hier volgt het zelfstandig naamwoord’, dan ging de schrijver ervan uit dat de lezer wist welk zelfstandig naamwoord hij bedoelde. Je hebt dus onbepaalde lidwoorden (‘een’ en het onzichtbare meervoud ‘ ’ en bepaalde lidwoorden ‘de’ en ‘het’.
  3. Heel belangrijk zijn de werkwoorden. Werkwoorden zijn de motor van de zin. Zonder werkwoorden gebeurt er vrijwel niets in de zin. De meeste werkwoorden zijn zelfstandige werkwoorden. Die kunnen zonder verdere begeleiding aan de gang, hoewel ze voor het subtielere werk graag worden bijgestaan door hulpwerkwoorden. Dan heb je ook nog een lui soort werkwoorden, dat het liefst als een soort uitzend- of liever huwelijksbureau fungeert om naamwoorden aan elkaar te koppelen. ‘Zijn’, ‘worden’, ‘blijven’, ‘blijken’, ‘lijken’ en ‘schijnen’ koppelen zelfstandige naamwoorden aan elkaar (Piet wordt directeur) of bijvoeglijke aan zelfstandige naamwoorden (Toos lijkt bazig). We noemen ze dus koppelwerkwoorden. Behalve met zelfstandige gaat het trucje ook op met andere naamwoorden ('Dat is logisch'). Voor de insiders: ‘heten’, ‘dunken’ en ‘voorkomen’ zijn met pensioen.
  4. Bijwoorden zijn nuttige assistenten voor zowel bijvoeglijke naamwoorden als werkwoorden en geven meestal antwoord op de vraag ‘hoe?’. ‘De zeer snelle ober bracht me zeer snel mijn biertje.’
  5. Telwoorden zeggen met z’n hoevelen sommige zelfstandige naamwoorden zijn of op welke plek ze in de rij staan. 'Op de elfde plaats staan twee deelnemers'.
  6. Voorzetsels zetten ze vaak op hun plaats of in relatie tot andere zelfstandige naamwoorden. Deze zin gaat over een vogeltje in een kooitje.
  7. Voegwoorden voegen woorden en zinnen aan elkaar. Een zin is overigens een rijtje woorden die samen ook weer een aparte betekenis hebben, maar (voegwoord) ik neem aan dat u dat al wist.
  8. Om nog duidelijker te maken waarover je het hebt, kun je gebruik maken van aanwijzende voornaamwoorden: ik heb het nu over een woord als dit hier.
  9. Welk woord? (‘Welk’ is vragend voornaamwoord, dat hebt u goed geraden)
  10. Nou, het woord 'dat' (juist: betrekkelijk voornaamwoord) twee zinnen terug vet is gedrukt.
  11. Als ik me niet vergis, is het woordje 'me' in deze zin een wederkerend voornaamwoord. In de zin : 'Ik vergis me', of - om het makkelijker te maken - : 'Ik was me' komt de handelende persoon (ik) nog een keertje terug als niet handelend persoon.
  12. En aangezien je 'jezelf' kunt vergissen en niet elkaar, maar wel elkaar de waarheid zeggen, is het woord 'elkaar' iets anders dan een wederkerend voornaamwoord: we noemen het een wederkerig voornaamwoord. Ik verbaas me er steeds weer over, hoe die woorden wederkerend en wederkerig zo op elkaar lijken.
  13. ‘Ho!’ (Tussenwerpsel) Genoeg geleuterd over woordsoorten.

    Zoals gezegd, we kunnen ook losse woorden overzichtelijker rangschikken door er zinnen van te maken. Dat is een stuk nuttiger. Lastig is, dat een zin een interne organisatie vereist, een samenstel van afdelingen en functies zonder welke er vanbinnen een zinloze anarchie heerst. De functies binnen de organisatie worden bekleed door afzonderlijke woorden of door meer woorden tegelijk. Die laatste moeten dan bij elkaar blijven staan, of woordgroepen vormen. Sommige functies zijn slechts voor bepaalde woordsoorten weggelegd. Er wordt duidelijk gediscrimineerd, laten we daarin duidelijk zijn. Om verwarring te voorkomen hebben we het nu even niet over afdelingen of functies, maar gebruiken we de alomvattende, neutralere term ‘zinsdelen’.


De voornaamste zinsdelen zijn:
1. persoonsvorm
2. onderwerp
3. gezegde
4. lijdend voorwerp
5. meewerkend voorwerp
6. voorzetselvoorwerp
7. bijwoordelijke bepaling
8. bijvoeglijke bepaling
9. bepaling van gesteldheid

De persoonsvorm is een zeer gewichtig zinsdeel. Als er wat te vragen valt, staat het vaak vooraan in de zin, maar alleen als het antwoord ‘ja’ of ‘nee’ is. De persoonsvorm bepaalt tevens of er sprake is van tegenwoordige of verleden tijd en geeft zelfs aan of de zin wel of niet in het meervoud staat. Verandert de persoonsvorm daarin, dan zal het onderwerp zich moeten aanpassen. Dat geldt trouwens ook andersom. Onderwerp en persoonsvorm zijn aan elkaar gewaagd en kunnen meestal goed met elkaar opschieten.

- Het woord ‘onderwerp’ is evenals persoonsvorm een misleidend woord. Er wordt niets onderworpen, er wordt niets ergens onder geworpen, zoals er straks bij de voorwerpen ook niets ergens voor wordt geworpen. Zoals je wel ‘voorwerk’ en ‘nawerk’ (nee, niet ‘achterwerk’) hebt, zo bestaat er geen ‘bovenwerp’ of ‘lijdend nawerp’. Maar goed, laten we simplificeren, dat is nog de enige manier om duidelijkheid te verschaffen. Het onderwerp van een verhaal of een zin is datgene waar verhaal of zin over gaat. Punt, uit.

- Het verhaal zelf, of datgene wat er over het onderwerp wordt gezegd, heet heel toepasselijk: het gezegde. Van dat gezegde heb je twee totaal verschillende types:

  1. het gezegde dat meestal een handeling uitdrukt (eten, drinken, dromen, niksen - óók een handeling - regenen) en louter uit één of meer werkwoorden bestaat: het werkwoordelijk gezegde.
  2. het gezegde dat iets anders uitdrukt (een toestand, eigenschap, hoedanigheid) en twee andere zaken in zich moet hebben: 1. een koppelwerkwoord en 2. de benaming van die toestand, eigenschap of hoedanigheid: let op, daar komt 'ie,

de schrik van elke brugger: het naamwoordelijk gezegde (brrrr!)

Voorbeeld: "Ik ben de tante van Tessa" 'ben' = koppelwerkwoord en 'de tante van Tessa' = een hoedanigheid.

Voorbeeld 2: "De tante van Tessa blijft pietluttig." 'blijft' = koppelwerkwoord en 'pietluttig'= een eigenschap.

Voorbeeld 3: "Tessa wordt melig." 'wordt'= koppelwerkwoord en 'melig' = toestand.

Je kunt hier allerlei variaties op maken: "Ik ben de tante van Tessa geweest", of "De tante van Tessa zal pietluttig blijven", of "Tessa zou melig geworden kunnen zijn."

In alle drie de gevallen zijn de onderstreepte zinsdelen naamwoordelijk gezegde.

Nog misleidender dan ‘onderwerp’ is ‘lijdend voorwerp’. In ‘De man slaat de hond’ kan ik in die hond nog wel een lijdend voorwerp zien, ook al mag ik de hond van Tessa niet als voorwerp beschouwen, maar in ‘De man voedert de hond’ is dat al niet meer het geval.


En als toppunt van misverstand bestaat er ook nog een ‘meewerkend voorwerp’, een zinsdeel dat kennelijk belang heeft bij de handeling en daarom doet alsof het meewerkt.
Maar het blijft allemaal één grote misleiding. Misschien zouden we moeten spreken van drie soorten voorwerpen, ‘werkend’, ‘bewerkt’ en ‘werkeloos voorwerp’. Of toch maar van ‘leidend voorwerp’, ‘lijdend voorwerp’ en ‘misleidend voorwerp’? 


Blijft over de vraag hoe we het voorzetselvoorwerp moeten omdopen. Een voorzetselvoorwerp lijkt helemaal niet op een voorwerp, maar meer op een bepaling. Volgens mij is er dan ook niets op tegen om het een ‘voorzetselbepaling’ te noemen. Ik moet daar de Minister van Onderwijs eens over onderhouden.

Een voorzetselvoorwerp begint  met een voorzetsel,  dat een speciaal voorzetsel is, dat in vaste dienst is bij het voorafgaande werkwoord of naamwoord. ‘Ik heb een optie op Heineken en reken op enige winst’. In ‘optie op’ en ‘rekenen op’ zien we een heel hechte samenstelling, want bij deze twee samenstellingen hoort ‘op’ en niet ‘onder’. 

En ongemerkt zijn we dan het glibberige rijk der bepalingen binnengetreden. Ook bepalingen kunnen met een voorzetsel beginnen. De belangrijkste is de bijwoordelijke bepaling. Die bepaalt waar, wanneer of hoe er iets gebeurt en als je dat mag doen, ben je heel belangrijk. Waar gebeurt iets? Op de Dam in Amsterdam (bijwoordelijke bepaling). Wanneer? Op zondag (bijwoordelijke bepaling) Hoe? Op z’n jan-boerenfluitjes (bijwoordelijke bepaling). Alle genoemde bijwoordelijke bepalingen beginnen met een voorzetsel. Dat hoeft niet, maar kan wel.

En om het ten slotte nog wat ingewikkelder te maken, noemen we nog even twee andere elementen: de bijvoeglijke  bepaling en de bijstelling. Maar let op: dat zijn eigenlijk geen zinsdelen, maar delen van zinsdelen. (Ben je daar nog?)

Bekijk even de volgende zin: "Betje, de tante van Tessa, is een oude taaljuf". 

We gaan die zin ontleden, als afschrikwekkend voorbeeld.

Is   =   persoonsvorm

Is een oude taaljuf   = naamwoordelijk gezegde (echt waar!)

Betje, de tante van Tessa   =   onderwerp

Ziezo, dat is klaar. De hele zin is netjes ontleed. Dat had je gedroomd! 

   1a.   Omdat 'van Tessa' iets zegt over 'tante' en 'oude' iets over 'schooljuf', noem je deze onderdelen bijvoeglijke bepalingen. Ze geven wat extra informatie binnen een zinsdeel.

   1b.   Omdat 'de tante van Tessa' iets zegt over 'Betje' zou je dat ook een bijvoeglijke bepaling kunnen noemen, maar dat is nooit zo afgesproken. Je moet hier zeggen: bijstelling. Dat is een soort bijvoeglijke bepaling, die  - tussen twee komma's in - volgt op het woord waar het bij hoort. Dat woord en de bijstelling zelf zijn onderling verwisselbaar   en kunnen ook zonder elkaar. Kijk maar:

   Betje is een oude schooljuf

   De tante van Tessa is een oude schooljuf.

 

Nou ja, oud... Dat valt wel mee, volgens mijn nichtje, evenals het ontleden zelf. 

En een volgende leer gaan we uitleggen, waar dit ingewikkelide gedoe nou goed voor is.

Tot binnenkort.